Geschiedenis van de Vietnam-oorlog

Kaart Vietnam met Ho Chi Minh route, aangevallen steden tijdens Tet-offensief en verschillende partijen betrokken bij het conflict

Kaart Vietnam met Ho Chi Minh route, aangevallen steden tijdens Tet-offensief en verschillende partijen betrokken bij het conflict

De Vietnam-oorlog was een lang en duur gewapend conflict dat het communistische regime van Noord-Vietnam en zijn zuidelijke bondgenoten, beter bekend als de Viet Cong, uitvochten tegen Zuid-Vietnam en zijn voornaamste bondgenoot, de Verenigde Staten.

De oorlog begon in 1954 (alhoewel het conflict in de regio teruggaat tot het midden van de jaren 40) na het aan de macht komen van Ho Chi Minh en zijn communistische Viet Minh partij in Noord-Vietnam en ging door tegen een achtergrond van een intense Koude Oorlog tussen twee wereldmachten: de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.

Meer dan 3 miljoen mensen (inclusief 58.000 Amerikanen) werden gedood tijdens de Vietnam-oorlog; meer dan de helft van de slachtoffers waren Vietnamese burgers.

Tegen 1969, op het hoogtepunt van de Amerikaanse inmenging in de oorlog, waren meer dan 500.000 Amerikaanse militairen betrokken in het Vietnam-conflict.

Groeiende oppositie tegen de oorlog leidde in de Verenigde Staten tot een bittere verdeling onder de Amerikanen zowel voor als na het bevel gegeven door president Nixon in 1973 om de Amerikaanse troepen terug te trekken. In 1975 veroverden de communistische strijdkrachten Saigon waardoor de oorlog beëindigd werd en het land werd het volgende jaar herenigd als de Socialistische Republiek van Vietnam.

Wortels van de Vietnam-oorlog

Gedurende WO II viel Japan Vietnam binnen en bezette het land gelegen op de oostelijke grens van het Indo-Chinese schiereiland in zuid-oost Azië dat door Frankrijk werd bestuurd sinds het einde van de 19de eeuw. Geïnspireerd door het Chinese- en Sovjet-communisme vormde Ho Chi Minh de Viet Minh, of de Liga voor de Onafhankelijkheid van Vietnam om zowel  tegen Japan als tegen de Franse koloniale overheid te vechten. Japan trok zijn troepen terug in 1945 en lieten de door Frankrijk opgeleide keizer Bao Dai aan het hoofd van een onafhankelijk Vietnam. Ho’s Viet Minh troepen kwamen onmiddellijk in opstand, veroverden de noordelijke stad Hanoi en riepen de Democratische Republiek van Vietnam (DRV) uit met Ho als president.

1954 - Parachutisten worden gedropt boven het belegerde Dien Bien Phu

1954 – Parachutisten worden gedropt boven het belegerde Dien Bien Phu

In een poging de controle over de regio te herwinnen steunde Frankrijk keizer Bao en riep de staat Vietnam (Zuid-Vietnam) uit in juli 1949, met Saigon als hoofdstad. Het gewapende conflict duurde voort tot de beslissende slag van Dien Bien Phu in mei 1954 eindigde in een nederlaag voor Frankrijk tegen de Viet Minh. De daaropvolgdende onderhandelingen in Genève verdeelden Vietnam langs de 17de breedtegraad (met Ho als baas over het noorden en Bao over het zuiden) en riepen op tot nationale verkiezingen voor hereniging die in 1956 zouden moeten doorgaan. In 1955 echter zette de sterk anti-communistische Ngo Dinh Diem president Bao opzij om president te worden van de regering van de Republiek Vietnam (GVN).

Het begin van de Amerikaanse interventie

Met de intensivering van de Koude Oorlog verhardde de Verenigde Staten zijn politiek tegen eender welke bondgenoot van de Sovjet-Unie en tegen 1955 had president Dwight D. Eisenhower zijn formele steun uitgesproken om Diem en Zuid-Vietnam te helpen. Met training en uitrusting door het Amerikaanse leger en politie hakten Diem’s veiligheidstroepen in op Viet Minh sympathisanten in het Zuiden die Diem vervolgens als Viet Cong (of Vietnamese Communist) bestempelde; hierbij werden  100.000 mensen gearresteerd waarvan er velen gemarteld en terechtgesteld werden. In 1957 begonnen de Viet Cong en andere opponenten van Diem’s repressieve regime terug te vechten met aanvallen op overheidsambtenaren en andere doelwitten en tegen 1959 begonnen ze het Zuid-Vietnamese leger aan te vallen in vuurgevechten.

In december 1960 richtten Diem’s tegenstrevers – zowel communisten als niet-communisten – in Zuid-Vietnam het Nationaal BevrijdingsFront (NLF) op om de tegenstand tegen het regime te organiseren. Alhoewel het NLF beweerde autonoom te zijn en dat de meeste van zijn leden geen communisten waren geloofden velen in Washington toch dat het om een marionet van Hanoi ging.
Een team gezonden in 1961 door president John F. Kennedy om verslag uit te brengen over de toestand in Zuid-Vietnam adviseerde een uitbouw van de Amerikaanse militaire aanwezigheid en economische en technische hulp om het hoofd te kunnen bieden aan de Viet Cong dreiging. Op basis van de “domino theorie” die stelde dat als één Zuid-Oost Aziatisch land in communistische handen viel velen zouden volgen, voerde Kennedy de Amerikaanse hulp op alhoewel hij net stopte voor een grootschalige militaire interventie. Tegen 1962 bestond de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Zuid-Vietnam uit 9000 soldaten, vergeleken met de minder dan 800 soldaten tijdens de jaren vijftig.

De Vietnam-oorlog escaleert

Foto genomen vanop de kruiser USS Maddox gedurende het Tonkin incident toont 3 Noord-Vietnamese torpedoboten

Foto genomen vanop de kruiser USS Maddox gedurende het Tonkin incident toont 3 Noord-Vietnamese torpedoboten

Een staatsgreep door sommige van zijn eigen generaals slaagde erin Diem en zijn broer, Ngo Dinh Nhu, omver te werpen en te doden in november 1963, drie weken voor Kennedy vermoord werd in Dallas, Texas. De daaropvolgende politieke instabiliteit in Zuid-Vietnam overtuigde Kennedy’s opvolger, Lyndon B. Johnson, en diens minister van Defensie Robert McNamara ervan om de Amerikaanse militaire en economische hulp op te voeren. Tijdens de daaropvolgende maand augustus, nadat DRV torpedo-boten twee Amerikaanse destroyers in de Golf van Tonkin hadden aangevallen beval Johnson vergeldingsbombardementen op militaire doelen in Noord-Vietnam. Het congres keurde vlug daarna de Golf van Tonkin-resolutie goed die Johnson uitgebreide bevoegdheden tot oorlogvoeren gaf en Amerikaanse vliegtuigen begonnen met regelmatige bombardementen, onder de codenaam Operation Rolling Thunder, tijdens de daarop volgende maand februari.

In maart 1965 nam Johnson – met de solide steun van het Amerikaanse publiek – de beslissing om Amerikaanse gevechtstroepen in te zetten in Vietnam. Tegen juni waren 82.000 soldaten (gevechtstroepen) gestationeerd in Vietnam en generaal William Westmoreland vroeg 175.000 man meer tegen eind 1965 om het zwalpende Zuid-Vietnamese leger te helpen. Ondanks de bedenkingen bij deze escalatie en bij de volledige oorlogsinspanning bij een paar van zijn adviseurs en ondanks de groeiende anti-oorlogsbeweging in de Verenigde staten gaf Johnson zijn akkoord voor de onmiddellijke ontplooiïng van 100.000 bijkomende soldaten tegen eind juli 1965 en nog eens 100.000 in 1966. Naast de Verenigde staten stuurden ook Zuid-Korea, Thailand, Australië en Nieuw-Zeeland troepen om te vechten in Zuid-Vetnam (hoewel op een veel kleinere schaal).

Uitputtingsstrategie in Vietnam

Generaal William Westmoreland

Generaal William Westmoreland

In tegenstelling tot de luchtaanvallen op Noord-Vietnam werd de Amerikaanse en Zuid-Vietnamese oorlogsinspanning in het zuiden uitgevochten op de grond, grotendeels onder het bevel van generaal William Westmoreland, in samenspraak met de regering van generaal Nguyen Van Thieu in Saigon. Over het algemeen was het Amerikaanse optreden in de regio gericht op een politiek van uitputting met de bedoeling om zoveel mogelijk vijandelijke soldaten te doden in plaats van te trachten om grondgebied veilig te stellen. Tegen 1966 werden grote gebieden in Zuid-Vietnam uitgeroepen als “free-fire” zones  waaruit alle onschuldige burgers verondersteld werden te vluchten zodat alleen vijanden overbleven.
Hevige bombardementen door B-52 vliegtuigen maakten deze gebieden onbewoonbaar terwijl vluchtelingen toestroomden in kampen in daartoe bestemde veilige gebieden bij Saigon en andere steden. Zelfs terwijl het aantal dodelijke slachtoffers (soms overdreven door de Amerikaanse en Zuid-Vietnamese overheden) geleidelijk toenam weigerden DRV- en Viet Cong-soldaten de strijd te staken, hierin aangemoedigd door het feit dat ze zeer gemakkelijk verloren grondgebied opnieuw konden bezetten. Ondertussen, met de hulp van China en de Sovjet-Unie, versterkte Noord-Vietnam zijn luchtverdediging.

Tegen november 1967 benaderde het aantal Amerikaanse troepen in Vietnam 500.000 soldaten en het aantal Amerikaanse slachtoffers bedroeg 15.058 gesneuvelden en 109.527 gewonden. Terwijl de oorlog voortduurde begonnen sommige soldaten te twijfelen aan de redenen waarom hun regering hen daar wilde houden evenals aan de bewering van Washington dat de Verenigde Staten aan de winnende hand waren. De laatste jaren van de oorlog steeg de fysieke en psychologische aftakeling bij de Amerikaanse soldaten, inclusief drug-gebruik, muiterijen en aanvallen door soldaten op hun officieren.

Gebombardeerd met verschrikkelijke oorlogsbeelden op hun televisietoestellen keerden de Amerikanen op het thuisfront zich ook tegen de oorlog: in oktober 1967 protesteerden 35.000 betogers in een grote anti-oorlog optocht buiten het Pentagon. Tegenstanders van de oorlog argumenteerden dat burgers, en niet de vijandelijke soldaten, de primaire slachtoffers waren en dat de Verenigde Staten een corrupte dictator steunden in Saigon.

Impact van het Tet-offensief op de Vietnam-oorlog

Zwarte rookwolken boven Saigon na aanvallen door de Viet Cong

Zwarte rookwolken boven Saigon na aanvallen door de Viet Cong

Tegen eind 1967 groeide ook het ongeduld bij de communistische leiders in Hanoi en zochten ze om een beslissende slag uit te delen om alle hoop op succes te ontnemen aan de beter uitgeruste Verenigde Staten. Op 31 januari 1968 lanceerden ongeveer 70.000 DRV soldaten onder leiding van generaal Vo Nguyen Giap het Tet-offensief (genoemd naar het Chinese Nieuwjaar), een serie van gecoördineerde hevige aanvallen op meer dan 100 steden en dorpen in Zuid-Vietnam. Alhoewel ze verrast waren door dit offensief slaagden de Amerikaanse en Zuid-Vietnamese troepen er toch vlug in om terug te slaan en waren de communisten niet in staat om één van de doelwitten langer dan één of twee dagen te veroveren. Nieuws van de aanvallen sloegen het Amerikaanse publiek met verstomming, vooral nadat het nieuws bekend raakte dat Westmoreland nog eens 200.000 extra soldaten gevraagd had. Met zijn dalende populariteit in een verkiezingsjaar riep Johnson in maart een halt toe aan de bombardementen op een groot deel van Noord-Vietnam (alhoewel de bombardementen in het zuiden gewoon doorgingen) en beloofde hij om tijdens de rest van zijn termijn als president te zoeken naar vrede eerder dan te zoeken om herverkozen te worden.

Johnson’s nieuwe tactiek, uitgelegd tijdens een toespraak in maart 1968, kon rekenen op een positieve respons in Hanoi en vredesonderhandelingen tussen de Verenigde Staten en Noord-Vietnam begonnen dat jaar in Parijs in de maand mei. Ondanks de latere integratie van de Zuid-Vietnamezen en het Nationaal BevrijdingsFront (de politieke arm van de Viet Cong) geraakten de gesprekken al vlug in eem impasse en na een verkiezingscampagne ontsierd door geweld versloeg republikein Richard Nixon Hubert Humphrey in de strijd om het Witte Huis.

Einde van de Vietnam-oorlog: van Vietnamisering tot terugtrekking

Nixon probeerde de anti-oorlogsbeweging de wind uit de zeilen te halen door beroep te doen op een stilzwijgende meerderheid van Amerikanen die volgens hem de oorlog steunden. In een poging om het aantal Amerikaanse slachtoffers te beperken kondigde hij een programma aan bestaande uit een terugtrekking van troepen, toenemende lucht- en artillerie bombardementen en het geven van de leiding over de grondoperaties aan Zuid-Vietnam. Bovenop deze politiek, die hij “Vietnamisering” noemde, ging Nixon verder met vredesonderhandelingen in Parijs, vervolledigd met geheime besprekingen op hoger niveau onder leiding van Minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger in de lente van 1968. De Noord-Vietnamezen bleven aandringen op een volledige terugtrekking van de Verenigde Staten als een voorwaarde voor vrede maar de volgende vijf jaar zouden zelfs meer bloedvergieten brengen, inclusief de gruwelijke openbaring dat VS- soldaten meer dan 400 burgers afgeslacht hadden in het dorp My Lai in maart 1968.

Anti-oorlog protesten bleven toenemen naargelang het conflict duurde. In 1968 en 1969 waren er honderden anti-oorlog optochten en bijeenkomsten over het hele land. Op 15 november 1969 vond de grootste anti-oorlog betoging uit de Amerikaanse geschiedenis plaats in Washington D.C. waarbij meer dan 250.000 Amerikanen vreedzaam bijeenkwamen en opriepen tot terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Vietnam. De anti-oorlog beweging, die vooral op universiteitscampussen zeer sterk was, verdeelde de Amerikanen bitter. Voor sommige jonge mensen symboliseerde de oorlog een vorm van niet-gecontroleerde autoriteit die ze aanvoelden. Voor andere Amerikanen werd verzet tegen de regering beschouwd als onpatriotisch en verraderlijk.

Toen de eerste Amerikaanse troepen werden teruggetrokken, werden degenen die achter bleven steeds kwader en gefrustreerder, verergerd door problemen met moreel en leiderschap. Tienduizenden soldaten kregen een oneervol ontslag wegens desertie en ongeveer 500.000 Amerikanen tussen 1965-73 werden dienstweigeraar en velen vluchtten naar Canada om zich te onttrekken aan de dienstplicht. Nixon beëindigde de dienstplicht in 1972 en stelde het volgende jaar een volledig vrijwilligersleger in.

Protest tegen de Vietnam-oorlog op de Kent State University

Protest tegen de Vietnam-oorlog op de Kent State University

In 1970 vielen de Verenigde Staten en Zuid-Vietnam in een gezamenlijke operatie Cambodja binnen in een poging om daar DRV bevoorradingsbases te vernietigen. De Zuid-Vietnamezen leidden dan hun eigen invasie van Laos, die echter door Noord-Vietnam werd teruggeslagen. De invasie van deze landen, in schending van het internationaal recht, vuurde een nieuwe golf van protesten aan op universiteitscampussen in Amerika, inclusief twee op Kent State in Ohio en Jackson State in Mississippi gedurende dewelke mannen van de Nationale Garde en politie 6 protesterende studenten doodden. Tegen eind juni 1972 echter, na een ander mislukt offensief in Zuid-Vietnam, was Hanoi bereid tot een compromis. Kissinger en de Noord-Vietnamese vertegenwoordigers zetten tegen de vroege herfst een vredesplan op poten maar de leiders in Saigon verwierpen het en in December liet Nixon een aantal bombardementen toe op doelwitten in Hanoi en Haiphong. Bekend als de Kerstmis bombardementen lokten deze aanvallen internationale veroordelingen uit.

Erfenis van de Vietnam-oorlog

23 Januari 1973 - Le Duc Tho en Henry Kissinger (rechts op de foto) sluiten een laatste overeenkomst die het einde betekent van de Amerikaanse inmenging in Vietnam

23 Januari 1973 – Le Duc Tho en Henry Kissinger (rechts op de foto) sluiten een laatste overeenkomst die het einde betekent van de Amerikaanse inmenging in Vietnam

In januari 1973 sloten de Verenigde Staten en Noord-Vietnam een laatste vredesverdrag waardoor een einde kwam aan de openlijke vijandelijkheden tussen de twee naties. De oorlog tussen Noord- en Zuid-Vietnam bleef echter voortduren tot 30 april 1975 toen DRV-strijdkrachten Saigon innamen en de naam wijzigden in Ho Chi Minh-stad (Ho zelf stierf in 1969). Het lange conflict had een zeer groot deel van de Vietnamese bevolking getroffen; tijdens de 8 jaar van oorlogvoeren waren naar schatting 2 miljoen Vietnamezen omgekomen, terwijl er 3 miljoen gewond waren en nog eens 12 miljoen op de vlucht gingen. De oorlog had s’lands infrastructuur en economie gedecimeerd en de heropbouw verliep langzaam.

In 1976 werd Vietnam herenigd als de Socialistische Republiek van Vietnam, alhoewel sporadisch geweld bleef duren tijdens de volgende 15 jaar, inclusief conflicten met de buurlanden China en Cambodja. Door een brede vrije markt politiek die in 1986 werd ingesteld begon de economie te verbeteren gestimuleerd door inkomsten uit olie-export en een instroom van buitenlands kapitaal. Handels- en diplomatieke relaties tussen Vietnam en de Verenigde Staten werden hersteld tijdens de jaren negentig.

In de Verenigde Staten zouden de gevolgen van de Vietnam-oorlog nazinderen lang nadat de laatste soldaten terugkeerden in 1973. Het land spendeerde meer dan 120 miljard dollar aan het conflict in Vietnam tussen 1965 en 1973; deze massale uitgaven leidden tot een weidverspreide inflatie, versterkt door een wereldwijde oliecrisis in 1973 met torenhoge brandstofprijzen. Psychologisch waren de gevolgen nog erger. De oorlog had de mythe van de Amerikaanse onoverwinnelijkheid doorprikt en had het land in verdeeldheid achtergelaten. Vele veteranen kregen negatieve reacties van zowel tegenstanders van de oorlog (die hen zagen als moordenaars van onschuldige burgers) als van voorstanders van de oorlog (die hen aanzagen als verliezers), naast lichamelijke schade inclusief de gevolgen van blootstelling aan de schadelijke chemische herbicide Agent Orange, waarvan er miljoenen gallons waren uitgestrooid op de dichte wouden van Vietnam. In 1982 werd het Vietnam War Veterans Memorial onthuld in Washington D.C. Erop waren de namen aangebracht van de 57.939 Amerikaanse soldaten die gedood werden of vermist raakten tijdens de oorlog; latere toevoegingen brachten het totaal op 58.200.

Bron: history.com

Hieronder een film over alle facetten van de Vietam-oorlog