Protest tegen de Vietnam-oorlog

De beweging tegen de Amerikaanse inmenging in de Vietnam-oorlog begon klein -onder vredesactivisten en linkse intellectuelen op universiteitscampussen- maar won aan nationaal belang in 1965, nadat de Verenigde Staten Noord-Vietnam begonnen te bombarderen. Anti-oorlog marsen en andere vormen van protest, zoals die georganiseerd door de Studenten voor een Democratische Maatschappij (SDS), kregen steeds meer bijval in de volgende drie jaar en bereikten een piek in het begin van het jaar 1968 nadat het succesvolle Tet-offensief door de Noord-Vietnamese troepen bewees dat het einde van de oorlog helemaal nog niet in zicht was.

Protesten tegen de Vietnam-oorlog: het begin van een beweging

In augustus 1964 vielen Noord-Vietnamese torpedoboten twee Amerikaanse destroyers aan in de Golf van Tonkin en als vergelding beval president Lyndon B. Johnson bombardementen op militaire doelen in Noord-Vietnam. Tegen de tijd dat Amerikaanse vliegtuigen begonnen met regelmatige bombardementen op Noord-Vietnam in februari 1965 begonnen sommige critici de bewering van de Amerikaanse regering in vraag te stellen die stelde dat Amerika een democratische oorlog uitvocht om het Zuid-Vietnamese volk te bevrijden van de communistische agressie.  De anti-oorlog beweging begon meestal op universiteitscampussen, toen leden van de linkse organisatie Studenten voor een Democratische Maatschappij (SDS) “teach-ins” begonnen te organiseren om hun verzet uit te drukken tegen de manier waarop de oorlog gevoerd werd. Alhoewel de overgrote meerderheid van de Amerikaanse bevolking de regeringspolitiek in Vietnam nog altijd steunde liet  een kleine maar uitgesproken liberale minderheid zijn stem horen tegen eind 1965. Deze minderheid omvatte naast vele studenten ook prominente artiesten en intellectuelen en leden van de hippie- beweging, een groeiend aantal jonge mensen die elke autoriteit verwierpen en de drugs-cultuur omarmden.

Wijdverspreide Ontgoocheling

Tegen november 1967 bereikte de Amerikaanse troepensterkte in Vietnam 500.000 soldaten en de Amerikaanse slachtoffers bedroegen 15.058 doden en 109.527 gewonden. De Vietnam-oorlog kostte de Verenigde Staten ongeveer 25 miljard dollar per jaar en de ontgoocheling bereikte steeds grotere delen van het belastingen-betalende publiek. Elke dag waren er meer slachtoffers in Vietnam, zelfs toen Amerikaanse commandanten meer troepen vroegen. Door het systeem van oproepingen werden er maandelijks 40.000 jonge mannen onder de wapens geroepen wat olie op het vuur van de anti-oorlog beweging betekende.

Martin Luther King

Martin Luther King

Op 21 oktober 1967 vond één van de grootste anti-oorlog betogingen plaats toen 100.000 betogers samenkwamen aan het Lincoln Memorial; ongeveer 30.000 van hen gingen later die nacht verder in een mars naar het Pentagon. Na een brutale confrontatie met de soldaten en U.S. Marshals die het gebouw bewaakten werden honderden demonstranten gearresteerd. Eén van hen was de auteur Norman Mailer die de gebeurtenissen beschreef in zijn boek “The Armies of the Night” dat het jaar daarop gepubliceerd werd en op grote bijval kon rekenen. Nog in 1967 kreeg de anti-oorlog beweging een grote impuls onder invloed van de mensenrechtenactivist Martin Luther King die de oorlog publiekelijk afkeurde op morele gronden, voor het feit dat federale fondsen afgeleid werden van binnenlandse programma’s naar de oorlog en voor het buitensporig groot aantal Afro-Amerikaanse slachtoffers in vergelijking met het totaal aantal gesneuvelden in de oorlog.

 

Politieke gevolgen van de Protesten tegen de Vietnam-oorlog

De lancering van het Tet-offensief door Noord-Vietnamese troepen in januari 1968 en het succes ervan tegen de Amerikaanse en Zuid-Vietnamese troepen zond golven van afkeer en ontevredenheid door het thuisfront en startte de meest intense periode van anti-oorlog protesten ooit gezien. Begin februari 1968 toonde een Gallup-poll aan dat slechts 35 procent van de Amerikaanse bevolking de wijze waarop Johnson de oorlog aanpakte  goedkeurde terwijl 50 procent ertegen was (de rest had geen mening). Deze keer waren het leden van de organisatie Vietnam Veteranen tegen de Oorlog, waarvan er velen in een rolstoel zaten of op krukken liepen, die zich bij de anti-oorlog demonstranten aansloten. Het beeld op televisie van deze mannen die hun medailles wegwierpen die ze verworven hadden tijdens de oorlog deed veel mensen overlopen naar de anti-oorlog beweging.

Nadat vele kiezers uit New Hampshire zich schaarden achter democraat Eugene McCarthy, die tegen de oorlog was,  kondige Johnson aan dat hj zich niet herverkiesbaar zou stellen. Vice-president Hubert Humphrey aanvaardde de democratische nominatie in Augustus te Chicago en 10.000 anti-oorlog betogers doken op buiten het gebouw waar de conventie plaatsvond; deze betogers raakten slaags met de veiligheidsdiensten verzameld door burgemeester Richard Daley. Humphrey verloor de presidentsverkiezingen tegen Richard M. Nixon, die tijdens zijn campagne beloofde om rust en orde te herstellen -een verwijzing naar het conflict over anti-oorlog protesten evenals een verwijzing naar de rellen die volgden op de moord op Martin Luther King in 1968- op een meer doeltreffende wijze dan Johnson gedaan had.

Anti Vietnam-oorlog protest (1) Protest tegen oorlog (1) Protest tegen oorlog (2) Protest tegen oorlog (3)-op de Kent State University Studenten die neergeschoten werden op de Kent State University Gewonden bij betogingen op de Kent State University Protest tegen oorlog (6) Gedood bij protest op Kent State University (7) Jane Fonda (8) Jane Fonda (9)
Protest tegen de oorlog in New York City, 27 april 1968

Het volgende jaar beweeerde Nixon in een beroemde toespraak dat anti-oorlog demonstranten een kleine -zij het luide- minderheid vormden waarvan niet mocht worden toegestaan dat ze de “zwijgende meerderheid” van de Amerikanen zouden overstemmen. Nixon’s oorlogspolitiek verdeelde het land nog verder maar in december 1969 stelde de regering de eerste “oproepings”-loterij in sinds Wereldoorlog II wat een grote controverse ontketende en veel jonge mannen deed vluchten naar Canada om aan de dienstplicht te ontsnappen. Spanningen liepen hoger op dan ooit tevoren, aangespoord door massabetogingen en incidenten van officiëel geweld zoals aan de Kent State universiteit in mei 1970 toen soldaten van de Nationale Garde het vuur openden op een groep betogers tegen de Amerikaanse invasie van Cambodja en daarbij 4 studenten doodden.

Toen midden 1971 de eerste Pentagon Papers werden gepubliceerd -die eerder vertrouwelijke details over de oorlog vrijgaven- gingen meer en meer Amerikanen zich vragen stellen bij de verantwoordingsplicht van de Amerikaanse regering en het militaire establishment. In een reactie op een sterk anti-oorlog mandaat kondige Nixon in januari 1973 het effectieve einde aan van de Amerikaanse betrokkenheid in Zuid-Oost Azië.

Bron: history.com